Geschiedenis van Karate

De geschiedenis en de oorsprong van het karatedo begint in Shaolin. Een Boeddhistisch klooster in het hart van China, dat bekend staat onder de naam “Shaolin-ssu” (hetklooster van het kleine woud). In 520 AD kwam in dat klooster een Indische monnik aan: Bodhidharma in Japan ook wel Daruma genoemd.

Hij ontwikkelde een techniek voor lichaam en geest wat zijn leerlingen sterker moest maken en beschermen op hun verre reizen.

Men kan Daruma ook wel zien als de oervader van het Chinese kempo. Later ook wel Quanfa of Kempo genoemd.

Later kregen deze monniken de naam de geweldigste vechters van China te zijn. Hun manier van zelfverdediging werd Chaolin-Zsu, tempelboksen of Kempo genoemd.
Het duurde niet lang of deze zelfverdedigingstechniek drong ook door tot Okinawa, Japan.

Daar werd het gecombineerd met een methode van vuistvechten en kreeg de naam Okinawa-Te. “Tode” oftewel Lege Hand, Kara-te.

Het jaar 1868 is in de Japanse geschiedenis van groot belang. Het is het einde van het feodale tijdperk in Japan (Meiji Reformatie). De Samurai moet zijn zwaard afleggen en gaat verder als handwerklieden, handelsman of les geven in Bujutsu en Budo.

Om het eeuwenoude martiale erfgoed voor uitsterven te behoeden werd in Kyoto (1895) de Dai Nippon Butokukai (Groot Japanse Associatie voor Krijgskundige Waarden) opgericht, afgekort de Butoku-kai. In 1933 werd de eerste karate stijl onder de naam “Goju-ryu “geregistreerd, gevolgd door de Shito-ryu, de Wado-ryu en de Shotokan-ryu.

De promotie van het karate was in volle gang, vooral door de inbreng van Gichin Funakoshi.

Gichin Funakoshi

Gichin Funakoshi

Gichin Funakoshi werd in 1869 in Shuri, Okinawa geboren. Op elf-jarige leeftijd beoefende hij al de vechtsport. Toen hij zelf een meester was geworden, trok hij naar Japan. Hij combineerde het Okinawa-Te met oudere Japanse vechtsporten van waaruit het moderne Japanse karate met zijn drie aspecten ontstond: zelfverdedigingstechniek, lichaamscultuur en sport. Funakoshi wordt als de vader van het moderne karate beschouwd.

In 1922 schrijft Funakoshi een boek over karate dat door de kunstenaar Hoan Kosugi gesierd wordt met een tijger als symbool voor Funakoshi’s karate.

ask_logo_2013_100x100

De naam Shotokan ontstaat pas in 1939. “Shoto” is de dichtersnaam van Funakoshi en betekent “wuivende pijnbomen”. Het ruisen van de pijnbomen in de wind inspireert hem tot gedichten en geeft hem de geestelijke rust die nodig is voor het beoefenen van karate. Als de eerste karate-dojo in 1939 wordt geopend wordt deze de Shotokan (shoto = synomiem voor Funakoshi, kan = school) genoemd.

Aanvankelijk noemde hij zijn kunst Ryukyu Kempo (de Okinawatechniek van de vuist).

Dit heeft waarschijnlijk enige verwarring veroorzaakt, aangezien er in die tijd in Japan al Kempo bestond.

Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog begon zich in Japan een anti-Chinese sfeer te ontwikkelen. Door de kleine verandering in kalligrafie werd het pictogram van Karate-do, De Techniek van de Chinese Hand, veranderd in Karate-do, De Techniek van de Lege Hand.

Om de onderwijsmethoden van zijn karate te verbeteren start Funakoshi in 1930 met gohon kumite (5-staps kumite) en kihon (basis). Hij heeft de technieken uit de kata’s gehaald en deze oefenvormen overgebracht, zodat ze beter aangeleerd kunnen worden.

Na de oorlog geeft Funakoshi nog veel les aan Amerikaanse militairen. Ondertussen (1949) is ook de Japanse Karate Associatie (JKA) opgericht. Funakoshi is “emeritus hoofdinstructeur” tot zijn dood in april 1957.

In de loop van de tijd zijn de technische stijlkenmerken van het Shotokan enigszins gewijzigd. Funakoshi’s zoon Yoshitake meende dat de kracht van een techniek vooral vanuit een lage, krachtige stand werd ondersteund. Dit verklaart de relatieve laagte van de Shotokan-standen ten opzichte van andere stijlen.

Verder kenmerkt het Shotokan zich door krachtige technieken, weloverwogen bewegingen, hoge spierspanning en krachtige weringen.

Het jiyu ippon kumite is ook typerend voor het Shotokan.

 

Share Button